Psychoanalytisch gezien komen jonge kinderen van getraumatiseerde ouders in conflict met hun behoefte aan sterke, liefst omnipotente ouders (c.q. volwassenen) en anderzijds het besef van de kwetsbaarheid van hun ouders (c.q. van volwassenen). De relatie met zijn vader kenmerkte zich door het gemis van een sterke, omnipotente vader als identificatiemodel voor in Arins cultuur traditionele manlijke kenmerken. Moeder beleeft hij als emotioneel niet bereikbaar, hoewel zij onbewust tal van signalen over haar verdriet uitstraalt weert zij elk gesprek erover af, haar heerlijke en overvloedige maaltijden zijn haar manier om troostend aanwezig te zijn.
Het maakt hem rustig dat stofjes in zijn lijf zijn lichamelijke klachten kunnen veroorzaken, en hem pijnen en slik klachten geven. Hij is dus niet gek! Zo heeft hij een gevoel van controle over hoe hij zijn lichamelijke klachten kan beschouwen. Maar hij kan de gedachte toelaten dat het stofjesverhaal slechts de helft van de waarheid is, hij weet dat de dingen waar hij mee zit, stress veroorzaken en dat stress invloed kan hebben op zijn lichamelijk welbevinden. Dieper nadenken over waar zijn stress vandaan komt is nog te bedreigend voor hem in de relatie tot mij, dwz, om met mij de diepte in te gaan, moet hij mij eerst volledig vertrouwen, bewust zal hij beamen dat hij dat al doet, maar onbewuste motieven (angsten) om anderen niet op voorhand te vertrouwen kunnen gezien zijn familieachtergrond aanwezig zijn.
Heel belangrijk in deze sessie was het gesprek over het bezoek aan zijn ouders. De teleurstelling over de reactie van zijn vader laat hij nauwelijks tot zijn gevoel doordringen. Ik benoem zijn teleurstelling maar ga met zijn afweer mee, ik vraag mij af in welke relatie hij tot zijn vader staat. Arin praat schouderophalend over zijn vader, alsof hij niets van zijn vader verwacht, ik veronderstel de psychoanalytische theorie volgend Arins onbewuste gemis van een sterke, omnipotente vader als identificamodel, ik kom hier nog op terug in fragment 12.
Wel benadruk ik de reactie van zijn moeder. Zij accepteert dat hij bij mij in therapie is, onbewust “leent” zij mij even van Arin, in haar is via haar zoon het verlangen ontwaakt naar een moeder. Zij maakt van mij een nieuwe moeder, zij verzacht daarmee het verdriet over haar overleden moeder, zo heeft zij weer een moeder in overdrachtelijke zin, ik denk dat zij zichzelf daarmee probeert te troosten. Arin begrijpt het verlangen van zijn moeder, hij leeft zich moeiteloos in haar verdriet in, tegelijkertijd ervaart hij haar eenzijdige houding hem te troosten met eten en verder over niets te willen praten als emotioneel afwezig, ook met haar kan hij niet zoveel.
Haar moeder, Arins oma, is op een vreselijke manier aan haar einde gekomen, Arin kent oma’s verhaal. Ik heb het in zijn dossier gelezen. Arin heeft kenmerken van een geparentificeerd kind, hij maakt zijn eigen behoeften ondergeschikt aan die van de beschadigde ouders. Het is nu niet het moment het lijden van oma en moeder nader te bespreken. Nu komt hij voor zichzelf bij mij, ik houd de spreekkamer zo ‘leeg’ mogelijk, het gaat om Arin, dat wil ik hem laten voelen.