Dit fragment illustreert een onbewust innerlijk conflict over het vragen van hulp. Arin kan zich moeilijk voorstellen dat anderen zo makkelijk en snel om hulp kunnen vragen.
Verder kan je in dit fragment lezen, hoe ik Arin contact wil laten maken met wat hij voelt als hij met mij praat. Niet zozeer over wát hij vertelt, maar dát hij vertelt.
Om hulp vragen is voor Arin een conflictvolle kwestie, deels bewust, deels onbewust.
Arin vertelt over zijn “gevoelige” collega, kennelijk is er iets bij hem blijven hangen dat hij dit onderwerp kiest om te bespreken.
Voor Arin geldt een dubbel gevoel: hulp vragen (naar de ander toe) maar ook sterk willen zijn (van de ander weg).
Eerder in het gesprek hadden we het al over voelen: hoe iets voelt in plaats van hoe iets is.
In Iran is voelen iets voor dichters, zegt Arin.
Welke angsten hij voelt beschrijft hij in angsten die wel of niet geoorloofd zijn om te voelen volgens hem, zijn familie, gezien hun traumatische ervaringen. Ik hoor de afweer in hun overlevingsstrategieën.
Dit zijn waarden en normen waarin zijn angsten zijn gekaderd.
Zij kleuren en bepalen zijn mentale representaties.
Daarom begrijpt hij niets van de wissewasjes die zijn collega inbrengt, hij kan moeilijk invoelen dat zijn collega begrip en steun nodig heeft van zijn teamgenoten voor wat Arin wissewasjes noemt. Zijn gevoelige collega vertrouwt erop dat zijn collega’s steun geven.
Arin verdringt de mogelijkheid dat hij zelf dergelijke behoeften zou mogen hebben, dat zoiets wel eens goed voor hem zou kunnen zijn, maar de angst om zwak te zijn is groter dan de wens om geholpen te worden.
Dat hij deze gebeurtenis vertelt zie ik als een onbewust signaal van zijn overdrachtsgevoel naar mij. Ben ik de zachte moeder die het goed vindt dat hij om hulp vraagt of ben ik de harde vader die hulp vragen iets voor watjes vindt?
Ik duid de overdracht niet, ik houd Arin in zijn relatie tot de hulpvragende collega centraal.
Situaties kunnen tegelijkertijd angsten als wensen oproepen.
Zolang deze ambivalentie niet beleefd kan worden, blijft het verdrongen innerlijke conflict hierover in het onbewuste opgesloten.
En kan het onbewuste het verdrongene in een vermomde vorm terugsturen, nl. in de vorm van symptomen die niet begrepen worden, zoals bij Arin zijn slikklachten.
Dit is precies de bedoeling van verdringen: het pijnlijke niet voelen.
Hoe beleeft Arin dát hij met mij praat?
Ik hoef hem niet te vragen wat hij voelt bij wat hij vertelt over zijn familiegeschiedenis.
Wel vraag ik hem wat het voor hem betékent om met mij over zijn familiegeschiedenis te praten.
Eigenlijk wat het sowieso voor hem betekent om met mij te praten.
Hoe beleeft hij zichzelf in contact met mij?
Echt contact maken betekent kwetsbaar mogen zijn.
Hij beseft dat hij vandaag sámen met mij heeft gepraat in plaats van tégen mij.
Ik zie dat als groei in de therapeutische relatie.
Ik ben meer dan een luisterend oor.
En als ik luister, luister ik naar wat hij niet zegt.
Luisteren met het derde oor.