Onbewust spelen bij Arin diepgaande innerlijke processen mee, zoals (te) sterk te willen zijn, het zich vervreemd voelen van mensen die niets hebben meegemaakt, het zo volzitten met groot leed dat er geen ruimte is voor klein leed, noch bij zichzelf, noch voor anderen.
Vergeleken met het verdriet van zijn ouders en van hem over het vreselijke lot van oma lijkt het of Arin zich achteraf schaamt voor de onaangename gevoelens en gedachten die hij en zijn team aan het bezoek van de recherche hadden beleefd.
Dat ze het allemaal zo erg hadden gevonden, zelfs zo erg dat de impact van de inval tot onderwerp van het teambuildingsgesprek met Max was gekozen, daar had hij toch moeite mee.
Toen ook nog zijn collega huilend vertelde dat zij een slechte beoordeling had gekregen was bij Arin de maat vol ‘dat je daarom huilt’ !
Arin vindt dat je je tranen moet bewaren voor het hele erge, alles daaronder kan onaangenaam, lastig of moeilijk zijn, maar heel erg is het niet, dus dat los je zelf op zonder hulp of aandacht van anderen te vragen.
Vele mensen hanteren de ‘leedhiërarchie’ op het moment dat henzelf iets naars overkomt. Ons realiteitsbesef schakelt dan ons relativerend vermogen in: er is nu eenmaal verschil in leed, dat is een feit. Zo’n besef geeft de nodige innerlijke rust om het leed overzichtelijk te houden en naar oplossingen te zoeken die de hoop op toekomstperspectief intact laten.
Wat niet wil zeggen dat we geen pijnlijke gevoelens beleven bij relatief ‘klein” leed. Deze hoeven we niet af te weren, integendeel, voel wat er te voelen valt, tranen moeten gehuild worden.
Arin heeft zich deze souplesse nog niet eigen gemaakt: even mocht hij meedoen zijn ongemak te beleven ‘het voelde als een verhoor’, maar na de cathartische bijeenkomst met zijn ouders en zus kon hij de emotie van de collega die een slechte beoordeling kreeg niet verdragen.