Arin, psychoanalytische interpretatie bij fragment 10

·

·

,

Het geparentificeerde kind in hem dat gewend is de eigen behoeften ondergeschikt te maken aan het welzijn van de ander, bij Arin aan zijn ouders, gaat opzij voor zijn eigen behoefte aan support van een deskundige die met hem meedenkt en aan wie hij geen zorg hoeft te geven.

Dit fragment geeft aan dat de therapie de laatste fase in gaat.

Arin geeft duidelijk uiting aan zijn positieve gevoelens en gedachten over zijn toekomst, zijn losmakingsproces en over zijn intieme relatie met Tjeerd. 

Hij is gevoelig voor mijn bevestiging van al het goede dat hem overkomt. 

Het duimpje zonder tekst waarmee ik reageer op zijn vrolijke appje zint hem niet, hij heeft meer nodig van mij.

Psychotherapeuten luisteren met het derde oor, dat doe ik ook, dwz, ik luister naar wat er niet gezegd wordt, verhuld wordt, of tussen de regels door schemert, maar dat juist daardoor van belang is omdat het wijst naar de afweermechanismen, naar de verdrongen inhouden in het onbewuste die gehanteerd worden, op het moment van vertellen en/of voorafgaand aan het vertellen. In zijn dwingende vraag naar bevestiging hoort Arin niet dat iets hem angstig maakt, maar ik hoor het wel:  ‘hoe zal ik zijn zonder de gesprekken met jou’?

Voor Arin gaat er veel veranderen, daar heeft hij zin in, zijn zelfvertrouwen is enorm toegenomen.

Belangrijk te vermelden is de merkbare verandering in zijn gehechtheidsstijl: van een free-floating, min of meer altijd aanwezige angstige waakzaamheid als hij met iemand contact heeft naar een prettig gevoel van verbondenheid met reëel waakzame momenten, afhankelijk van de specificiteit van de situatie.

Vanuit dit nieuwe gevoel van een behoefte aan prettige verbondenheid vraagt hij zich af of hij niet te alleen zal zijn in Londen, voorheen zou hij daar stoer over gedaan hebben (ik heb niemand nodig).

In de overdracht naar mij vraagt hij in dit fragment dwingend nadrukkelijk om mijn bevestiging en geruststelling betreft zijn nieuwe plannen. Hiermee toont hij dat hij zichzelf belangrijk vindt. Hij staat zichzelf toe mij nodig te hebben, alleen voor zichzelf. Hij spaart mij niet, hij hoeft geen rekening te houden met mijn gevoelens. Dat duimpje van mij vond hij zó dom!

Ik ben er voor hem, dat is mijn professionele taak die ik graag uitvoer.

Het kunnen luisteren naar wat er niet gezegd wordt wil Arin op zichzelf toepassen. Zoals ik naar hem luister, zo wil hij dat ook kunnen, luisteren met zijn derde oor naar wat hij moeilijk vindt om te horen of te voelen zodat zijn lichaam geen symptomen hoeft te ontwikkelen. De toegenomen zelfreflectie helpt daarbij deze verworvenheid als ik-eigen (ego-syntoon) te beleven. Misschien goed om het begrip ‘mentale representatie’ hierbij te betrekken: ik, Arin, ben iemand die naar zichzelf kan luisteren, dat heb ik lang niet gekund, maar nu wel.

Dat het therapeutische proces ná de therapie doorgaat begrijpt hij goed, wij hebben al  eerder over internaliseren gesproken, ik vind het prima dat hij mij het stevige bouwmateriaal van zijn innerlijk noemt waarmee hij zich kan vereenzelvigen.

Het tutoyeren van mij wijst op het ervaren van zijn eigen groei, hij is kind-af, hij is moedig, durft het leven aan, de therapie eindigt voor hem met een gelijkwaardig contact van twee volwassenen, hij zal mij binnenkort niet meer nodig hebben.