Marc is al een tijd in mijn praktijk. Uiterlijk is hij een zeer kalme man, maar innerlijk kan hij in een enorme woede terecht komen, dat gebeurt meestal op zijn werk, in relatie met leidinggevenden als hij het gevoel heeft dat hij niet goed gezien wordt of geen recht van spreken krijgt. De woede implodeert en Marc kan weken lang in een gevoel van zelfverachting gevangen zitten. Onlangs had hij op zijn werk een functioneringsgesprek, Marc was van plan zijn beloofde promotie ter sprake te brengen.
Het functioneringsgesprek was wel en niet goed verlopen voor Marc (M). Ton, zijn leidinggevende prees zijn collegialiteit, ijver, inzet, nauwkeurigheid en waardevolle inbreng voor het bedrijf. Ton begon niet over de beloofde promotie, toen Marc er over begon ontweek Ton zijn blik en zei iets vaags, iets over andere plannen. Marc klapte dicht.
Marc deelt mee, toonloos, kijkt mij niet aan, strakke mimiek
M kijkt op: dit is het dus, ik ben goed maar krijg geen promotie
Ik: je klapte dicht
–
M: ik zag mijn handen trillen
–
M: ik kon mij beheersen, maar toen ik Tons kamer verliet deed ik de deur net iets te hard dicht, ik hoorde het zelf en maakte mijn excuses, Ton zag er geschrokken uit
Ik: goed dat je dit vertelt, ik hoor je woede
M: toen ik in de auto zat probeerde ik het beeld voor mij te halen van mijn ouders, de overval in de winkel, hun monden afgeplakt met powertape, het helpt mij aan deze gebeurtenis terug te denken omdat ik inmiddels weet dat mijn woede iets te maken heeft met hun trauma
Ik: dat is moedig van je
M: ik weet dat dit helpt, ik paste de ademhalings techniek toe, het zakte iets
–
M: de bekende enorme moeheid in mijn benen kwam over mij, ik durfde nog niet te rijden
Ik: dat was verstandig
M: ik dacht, ik ga daar weg, die rotbaan wil ik niet, ik wil iets heel anders gaan doen
Ik: zo te zien werd je blij van die gedachte
M: ja, nu voel ik dat ook een beetje
–
M: de mond laten snoeren, dat doe ik ook met mezelf, ik had Ton over z’n bureau willen trekken!
Ik: ik hoor en zie je woede
M: soms wil ik het roer omgooien, oh, als ik dat toch eens zou durven!
–
M: ik voelde weer even die verachting over mijzelf, maar ik wilde daar niet in terecht komen, ik vind dat ik dat beter doe, dat zie jij toch ook?
Ik: jazeker, je maakte ook een switch naar het roer omgooien, dat klonk blij
M: klopt
Ik: het roer omgooien, hoe voelt het om dat mij te vertellen?
M: een beetje verboden, te overmoedig , hij grinnikt erbij, kijkt vrolijk
Ik: des te moediger om erover te praten!
We hebben een afspraak staan.