Marc belt met face time vanuit Zweden, hij is inderdaad onaangekondigd naar Marga en haar familie naar Zweden vertrokken, de ontvangst was oké, hij voelt zich vreemd over iets, hij heeft behoefte aan een telefonisch consult.
Marc na eerst verteld te hebben hoe fijn het in Zweden is, de natuur, het wandelen, het vissen, hij heeft nu tijd om te lezen, na het weekend gaat hij weer naar huis, Marga en de jongens blijven nog veertien dagen en dan beginnen de scholen weer.
Ik: vertel, je wil mij spreken, je zei dat je je ergens vreemd over voelt
Marc: ik vind het vreemd dat ik mij goed voel
Ik: zou je je niet goed moeten voelen?
M: zoiets ja
–
M: ik vind het wel oké zoals het nu gaat
Ik: hoe gaat het nu?
M: iedereen doet gewoon, ik merk geen enkel verwijt
Ik: verwijt?
M: van Marga’s familie
Ik: heeft Marga hen op de hoogte gesteld van jullie problemen?
M: weet ik niet, het lijkt van niet
Ik: heb je dat aan haar gevraagd?
M: nee, dat soort gesprekken hebben wij niet
Ik: dat soort?
M: dat je van alles van elkaar wilt weten, we laten het gewoon zitten
Ik kijk kennelijk verbaasd
M: je kijkt heel verbaasd
Ik: tja…
M met lachje: dat is niet professioneel, jíj moet neutraal blijven!
Ik nog in mijn verbazing: wat hoor je in mijn verbazing?
M: afkeuring!
Ik: tja…verbaas jij je dan niet over hoe jullie doen of er niets aan de hand is?
M: wauw, wij hebben een discussie!
Ik: waarover dan?
M: over je professionele houding
Ik: schrok je van de verbazing op mijn gezicht?
M: nee, ik vind het ook wel grappig, meestal laat je mij niet zoveel zien van wat je denkt, maar nu wel, je valt uit je rol
Ik: zo voelt het voor mij niet, ik was verbaasd, maar sterker nog, ook wat gealarmeerd door jouw houding ten opzichte van Marga en haar familie
M: waardoor dan?
Ik: ik kan het even niet goed formuleren, vrees ik
M: feit is, iedereen doet gewoon tegen mij, het gaat nu om haar moeder
Ik: ja dat begrijp ik
Het gesprek dreigt vast te lopen
Ik: laten we teruggaan naar dat je je afvraagt waarom je je goed voelt ondanks….
M vult aan: al het gedoe en dat ik dat vreemd vind, ik zou er last van moeten hebben volgens jou
Ik: vorige keer vertelde je dat je het gevoel had dat Marga en de jongens geen boodschap meer aan je hebben, ik kon aan je merken dat je daar verdrietig over was
M: dat heb ik nog, maar ik kan me er niet zo druk om maken
Ik: vind je dat niet meer zo erg?
M: ik zal nooit een prater worden, die constatering voelt goed, dat bedoel ik met goed voelen
Ik: ik ga je begrijpen, denk ik
M: ik accepteer het, zoals het met mij is gegaan, ik verzet mij er niet meer tegen
Ik: waarom wilde jij mij eigenlijk bellen?
–
M: om jouw goedkeuring te horen, het zou mij geruststellen dat jij het oké vindt
dat ik iemand ben die niet voor zichzelf opkomt
Ik: terwijl je voelt en weet dat dat hier en daar wel nodig is
M: ja, precies, ik voel en weet het wel maar besluit er niets mee te doen
Hij ziet mij knikken
M: je begrijpt het, zie ik
–
M fel: ik denk ook steeds meer na over mijn relatie met mijn vader, die laat werkelijk álles over zijn kant gaan
Ik hoor een ingehouden woede in zijn stem
Ik: jullie lijken op elkaar
M boos: echt niet hoor
Ik: nu ben je niet alleen boos op je vader maar ook op jezelf, probeer dat te voelen
M: jíj maakt me nu boos, ik zeg juist dat het me allemaal niks meer kan schelen, dat kan ik heel goed voelen
Ik: niks meer kunnen schelen is niet een gevoel waar we in deze spreekkamer mee dealen
M: oké, boos zijn op mijn vader is te laat
Ik: je zei dat je accepteert dat je iemand bent die niet voor zichzelf opkomt
M: dat meen ik
Ik: dan ga ik het deel van jou verdedigen dat daar geen genoegen mee kan nemen
M: probeer maar
Ik: dat deel dat báng is het voor zichzelf op te nemen
M: op dat deel moet ik boos zijn van jou
Ik: of er aandacht aan moet besteden
–
M: ik vind dit een vervelend gesprek
Ik: je vindt mij vervelend
M: ja
Ik: houd dat vast en leg het me uit
–
M: ik zal je iets vertellen, Olle, mijn jongste zoon is heel erg gesloten, echt meer dan normaal voor een puber, we hadden een aanvaring, hij wou iets gevaarlijks doen bij een waterval, tenminste, ik vond het gevaarlijk. Hij leek zich niets van mijn mening aan te trekken, pakte z’n spullen en liep weg. Ik liep hem achterna en greep hem bij z’n arm en schreeuwde naar hem: “waarom wil je zoiets gevaarlijks doen!” hij schreeuwde terug “dat gaat jou niets aan”. Ik hing aan zijn rugzak om hem tegen te houden, hij rukte zich los, toen begon ik te huilen, dat hoorde hij en hij draaide zich om, keek stomverbaasd naar mij “wat heb jij nou”? Ik voelde me radeloos “ik ben zo bang dat jou iets overkomt” .Hij: “maar dat gebeurt niet, ga dan mee, dan kan je het zien”
Marc huilt
Ik: je kwam voor jezelf op, je liet je zien
M: hij zei wat ik mee moest nemen, we gingen naar de waterval, er waren meer mensen, wat ze gingen doen is nu niet belangrijk, ik bleef aan de kant en keek hoe behendig ze allemaal waren, ik was trots op hem en zei hem dat. We gingen naar huis, hij zei dat hij het heel fijn had gevonden dat ik met hem mee was gegaan, dat ik op hem gepast had, dat vond hij fijn, ik had hem nog veel meer willen zeggen, dat ik hem niet kwijt wil, en Marga en Finn ook niet, maar ik zei het niet
Marc is niet meer in strijd met mij, ik zeg hem dat
Marc knikt: ik begrijp wat je deed, jij past op mij, dat is nodig
Ik: jij kan dat toelaten