Een gezonde integratie van zijn voelen, denken en doen, een soort psychologische drie-eenheid die elk individu strikt persoonlijk kenmerkt en uit strikt persoonlijke mentale representaties bestaat wordt zichtbaar in Arins zelfbewustzijn betreft zijn toekomstperspectief, het gay-zijn, de losmaking van zijn ouders en het ervaren van een minder angstige gehechtheidsstijl.
Arin denkt na over zichzelf, ook buiten de sessies is hij zelfreflectief.
Toegespitst op zijn problematiek zie ik zijn zelfreflectie, die hem voordat hij in therapie kwam niet eigen was, als een teken van beginnende internalisering en ook als een teken van meer veilige gehechtheid ipv angstige gehechtheid (opgeven van vertrouwde =angstige gehechtheidsstijl).
Internalisering (= verinnerlijken van externe invloeden) gebeurt inmiddels bij wat hij oppakt tijdens de sessies, als gevolg van wat er in de therapeutische relatie gebeurt: dat hij vrijuit mag praten, vrijuit mag associëren op gedachten, gevoelens en dromen. Dat hij behoeften mag hebben, zoals de behoefte aan hulp, aan begrip. Hij heeft het zich eigen gemaakt moeilijke gevoelens te beleven en deze, weliswaar nog op zijn hoede, met anderen te delen.
Gevoelens en gedachten waaraan hij gewend is deze te hebben, als ego-syntoon te aanvaarden, gaan wankelen, hij durft ze ter discussie te stellen en om te buigen naar nieuwe mentale inhouden, waarvan hij veel gelukkiger kan worden.
Arin uit zijn verbazing dat het zo vanzelf gaat, zoals het voelen en denken over het gay-zijn. Dat hij zijn slikklachten de baas werd in zijn ontmoeting met iemand die hij heel leuk vindt, hij mag genieten van fijne gevoelens.
Betreft zijn hechtingsstijl: na het teambuildings gesprek op kantoor enige tijd geleden vertelde Arin dat hij had gemerkt dat hij een sprankje warmte voelde als hij naar anderen luisterde, ook al ging het om alledaagse dingen, en benieuwd was naar hun verhaal. Vanuit dat warme gevoel ging het vanzelf om ook iets gezelligs te vertellen.
Arin beleefde een verandering: hij realiseerde zich dat hij gewend was om te denken dat hij niets te vertellen heeft, daarmee verdringend dat hij eigenlijk vol zit met de vreselijke verhalen over zijn familie, hun trauma’s die zich in een onbewaakt moment aan hem opdringen en die hij er dan uitflapt.
Arin draagt de trauma’s van zijn ouders in zich mee. De behoefte om er met anderen over te praten is vervat in een innerlijk onbewust conflict: er over praten is kwetsbaar, er over zwijgen is sterk. Sterk en zwak wordt gesplitst, er zijn geen ambivalente tussenstadia. In de veiligheid van de therapeutische relatie kan met tegenpolige gevoelens gestoeid worden. Arin kan dat steeds beter, hij stoeit met mij en met zichzelf, de rigide polen vertonen wankele momenten, in zo’n wankel moment kunnen gevoelens ontstaan die verdrongen werden, door een empathische duiding kan zijn verdrongen behoefte aan verbondenheid ontwaken, ook al voelt hij zich tegelijkertijd kwetsbaar.
Zet zo’n innerlijk proces zich voort, dan ‘hoeft’ Arin minder te verdringen ( zijn overlevingsstrategie) en kan hij ambivalente gevoelens en gedachten verdragen.