Tine heeft voor de zoveelste keer aanstalten gemaakt om Karst te vertellen dat ze alleen wil wonen, maar deinst ervoor terug hem ongelukkig te zien, want hij wil dat ze samen blijven. Karst stelt uiteindelijk voor een huis te kopen, waarin het mogelijk is voor Tine een apart woongedeelte te creëren, maar dat vindt Tine half werk. Ze uit haar ongenoegen naar mij dat ze nu weer in een dilemma beland is, net zoals ze voor het eerst bij mij kwam.
Tine: onze sessies zijn bijna op, ik ga beslist niet langer bij je komen omdat ik geen besluiten kan nemen
Ik: mee eens
T: ahh, weer een klik met je, we zijn het eens
Ik: toch gaat je dilemma van nu over hetzelfde als het dilemma waarmee je bij mij kwam: je wilt geen keus maken die een ander pijn kan doen
T: helder
Ik: blijft dat zo denk je?
–
Tine kijkt mij fronsend aan: dat klinkt hard, je geeft me op mijn kop
Ik: ik moest hard tegen je zijn, je waarschuwen als je iets doms ging doen, weet je nog wel?
T: omdat ik zwakke plekken heb, ik kan niemand zien huilen
Ik: is dat een zwakke plek?
T: ja, dan raak ik in de war, weet ik niet hoe ik, moet kijken, ik voel mij dan totaal onthand, mijn maag draait om, mijn benen trillen
Ik: dat is een sterke reactie
T: ik had dat voor het eerst toen mijn vader stierf, mijn moeder huilde verschrikkelijk, dagenlang, ik kon haar niet troosten, ze duwde me weg, ik huilde in mijn eentje op mijn kamer
Ik: dat is een zware herinnering
T: Eva was een huilbaby, ik trainde mijzelf haar vast te houden als ze huilde, dat hielp niet, toch voelde ik mij beter als ik bij haar bleef dan dat ik haar in haar wiegje terug legde
Ik: je vertelt iets belangrijks: kan je in gedachte je moeder, Eva en Karst vasthouden en tegen je aandrukken?
T: ja
Ze doet haar ogen dicht
Na een poosje opent ze haar ogen
T: ik weet niet wat ik moet zeggen
Ik leg mijn vinger op mijn lippen
Ik: en nu, je moeder, Eva en Karst staan om je heen en drukken jou tegen zich aan
Ze sluit haar ogen, na een poosje:
T: dat lukt niet
Ik zie het, ik ga je helpen: vertel me wat je voelt als je moeder, Eva en Karst om je heen staan
Dat doet ze
Ik: wat voel je daarbij?
T: niks
Ik: stel je voor dat ze bijna tegen je aan staan
T: wauw!!
Ik: wat voel je?
T: ik word bang dat ze een stap terug doen
Ik: maar dat doen ze niet
T: ik wil dat ze blijven
Ik: kan je dat vragen?
T: pfff
Ik: ik wil het horen
T zachtjes: willen jullie mij vasthouden?
Ik: ik hoor niks
T: ietsje harder: ik wil dat jullie mij vasthouden
Ik: zoals jij hen deed
T in haar rol: ik houd jullie toch ook vast!
Tine huilt
T: wat een mooie oefening
Ik: kan je hem thuis doen?
T: dat doe ik zeker