De Divan op De Kring
De Immateriële nalatenschap van Obbe Groenhout
27 februari 2020
Inleiding: Liesbeth Dullaart-Pruyser
De onbewuste nalatenschap van drie grote psychoanalytische denkers Sigmund Freud, Carl Jung en Melanie Klein.
Welkom,
Voor wie mij niet kent, ik ben Liesbeth Dullaart, psychoanalytica en naast mij de spreker van vanavond Obbe Groenhout die ons gaat vertellen over zijn immateriële nalatenschap dus niet van zijn spullen maar van zijn geestelijke inhoud. Hij zal vertellen over de intensieve zelfreflectie waarmee het denken over zijn immateriële nalatenschap gepaard is gegaan.
Maar eerst pak ik vijf minuten van Obbe’s spreektijd af om u iets te vertellen over de zelfreflectie van drie grote psychoanalytische denkers van de eerste helft van de vorige eeuw, namelijk Sigmund Freud, Carl Jung en Melanie Klein, hun zelfreflectie die leidde tot een nalatenschap van grote importantie.
Freud geboren in 1886, Jung en Klein respectievelijk negentien en vijfentwintig jaar later dan Freud.
De zelfreflectie op de kinderjaren van deze drie legde de basis voor hun drang naar zelfonderzoek en zette zich voort in hun professionele ontwikkeling op het gebied van de psychoanalyse, met als resultaat drie wetenschappelijke oeuvres van formaat.
Hun werken uitten zich in de fascinatie voor de werking van de menselijke psychè en in hun tomeloze ambitie de mensheid met hun kennis te verrijken.
Ik hoor daarin hun theorie over de levensdrift, maar voel vooral hun liefde voor het leven zelf, en hun drang de levensliefde door te willen geven, ik kom hier nog op terug.
Freud bracht met zijn publicaties belangrijke omwentelingen teweeg in het denken over psychische stoornissen zoals dat ook normale, goed functionerende mensen psychische symptomen konden hebben.
Ook beweerde hij dat niet alleen kinderen maar ook hun ouders zich vaak geen raad weten met hun gevoelens waardoor er ook in normale gezinnen veel problemen kunnen ontstaan.
Beide beweringen maakten de maatschappelijke acceptatie voor psychische klachten gemakkelijker en konden volwassen geworden kinderen op hun jeugd terugkijken met meer genuanceerde gevoelens en gedachten over hun ouders dan voorheen.
Maar bovenal gaf Freud aan alle mensen rond 1901 een Onbewuste en hij zei dat alle mensen moeilijk te verdragen innerlijke conflicten naar het Onbewuste verdringen, en dat ons Onbewuste het verdrongene teruggeeft in psychische symptomen zoals angst, depressie, dwang en psychosomatische klachten. Hij gaf betékenis aan onze symptomen zodat deze ons niet meer zo konden verwarren en ons op het verkeerde been zetten.
Hoe mooi was dat!
Jung breidde het Onbewuste zelfs uit naar een collectieve aangelegenheid.
Zijn theorieën beschrijven in mythologische en archaïsche beelden de invloed van de onbewuste oerervaringen die alle mensen met elkaar zouden delen.
Maar ook de gektes van het vorige geslacht, wij zouden het allemaal in ons meedragen. Dit merkte hij bij zichzelf toen hij zijn eigen gekte tegenkwam met het schrijven van zijn meedogenloze zelfbeschouwingen in Het Rode Boek in 1913. Hij werd op het psychotische af van deze psychologische martelgang.
Freud reflecteerde op zijn eigen complexe gevoelens die hij in zijn kinderjaren ervaarde voor zijn ouders, hij “ontwierp” het Oedipuscomplex, mijns inziens éen van de mooiste theorieën in de ontwikkelingspsychologie.
Naast de boodschap van Freud dat ook goed functionerende mensen psychische stoornissen konden hebben voegde Jung toe dat normaal en niet normaal, gek en niet gek, heel dicht bij elkaar liggen en dat deze dualiteit in elk mens zit.
Ik ben van mening dat Freud en Jung met hun vernieuwende, ruime en milde opvattingen over de psychè, de mensheid iets heel moois hebben nagelaten.
Dan naar Melanie Klein.
Zij deed iets dat van groot belang is voor wat Obbe ons straks gaat vertellen.
Melanie Klein focuste haar theorieën op de allervroegste babytijd, op wat er dan gebeurt tussen moeder en kind.
Daar kon zij zichzelf natuurlijk niets van herinneren maar uit de ervaringen met haar eigen baby’s en de speltherapie met kleine kinderen waarmee zij in 1920 als eerste psychoanalytica was begonnen concludeerde zij dat de baby in het contact met de moeder, de persoon van wie het volledig afhankelijk is voor het voortbestaan, eigenlijk alleen maar bezig is met het verzamelen van vertróuwen in haar, hij heeft haar nodig om hem de lust tot leven te geven!
Haar voedende borst, haar stem, haar warmte, haar koestering maken van haar de Goede Moeder. En ook al is zij er af en toe niet, of niet meteen (Klein noemt dat de afwezige moederborst), geleidelijk aan leert de baby die frustraties te verdragen en kan hij de moeder in ambivalentie liefhebben.
Melanie Klein was ervan overtuigd dat de ontwikkeling van een stabiel vertrouwen in de moeder al vanaf het eerste moment wordt ingezet en gegeneraliseerd wordt naar een breder gevoel van vertrouwen in de ander, in de mensheid, voor een leven lang.
Haar jeugd kenmerkte zich door verdriet en eenzaamheid. Zij ontwikkelde een groot gevoel van mededogen voor kinderen in moeilijke omstandigheden en kreeg door haar observaties tijdens speltherapie een goed zicht op de machteloze woede die beschadigde kinderen vaak in zich meedragen. Om ze weer van het leven te doen houden richtte ze zich in de behandelingen van deze kinderen op het herstel in het vertrouwen, dat mensen ook liefdevol kunnen zijn.
Vertrouwen in de ander is de basis om het leven voort te willen zetten, door te geven, aan je naasten, de biologische levensdrift inhoud te geven met ons bewustzijn dat we elkaar iets te vertellen hebben en kunnen nalaten.
Waarom vertel ik dat allemaal?
Omdat “nalatenschap” in familie en gezinsverband voortkomt uit het samenspel tussen de generaties, waarin ouder en kind, grootouder en kleinkind al vanaf het eerste contact dat zij samen maken onbewust een diepe behoefte hebben aan wederzijds vertrouwen in elkaars goedheid.
Omdat zonder het vertrouwen in elkaar, het leven geen reden heeft om voortgezet te worden.
Freud, Jung en Klein lieten ons geweldige inzichten na over de werking van de menselijke geest.
Echter, als analytica denk ik dat hun nalatenschap nóg een belangrijke component had, nl. hun liefde voor het leven aan hun nageslacht door te geven opdat het besef van de schoonheid van het leven nooit verloren mag gaan.
Diep verborgen in hun nalatenschap bevindt zich naar mijn mening een onbewust, omnipotent verlangen van de mens aan de sterfelijkheid te kunnen ontkomen.
Ik ken Obbe een heel klein beetje.
Ik betwijfel of hij zich comfortabel voelt naast de onbewuste omnipotente verlangens die ik Freud, Jung en Melanie Klein toedichtte.
Dat hoeft ook niet hij heeft zelf genoeg te vertellen.
Nu is het podium voor Obbe.
Ik wens u een boeiende Divan.