Divan 80 jaar vrijheid 17 april 2025 van 18.30-20.30uur
Titel: Herdenken is Erkennen, erkennen van oorlogsleed in de spreekkamer, in onze hersenen, in de politiek en in de kunst.
Vier korte voordrachten van:
Liesbeth Dullaart-Pruyser: specifieke psychodiagnostiek na WO2
Annemiek van Dijke: wat doet psychotrauma met onze hersenen
Remy Vlek: betekenis en “cultuur” van herinneren.
Saskia van Es: struikelen met hoofd en hart.
Over de sprekers:
-Liesbeth Dullaart-Pruyser (klinisch psycholoog) heeft zich vijftig jaar beziggehouden met de behandeling van psychische problematiek van eerste en tweede generatie oorlogsgetroffenen. De schok die de film “Begrijpt u nu waarom ik huil” in 1969 veroorzaakte, was het begin van de erkenning van causale verbanden tussen persoonlijk ervaren oorlogsleed en chronische, ernstige psychische klachten. In de spreekkamer werd onderscheid geconstateerd tussen de problematiek van de verschillende ‘categorieën’ oorlogsgetroffenen waardoor de beschrijvende diagnose werd verfijnd met meer betekenisvolle omschrijvingen van de psychische problematiek. Door de wettelijke erkenning van de psychische problematiek van tweede generatie,naoorlogse kinderen van oorlogsgetraumatiseerde ouders voelden vele kinderen van deze ouders zich begrepen. Liesbeth vertelt over Job en Betty, en over Laura en Sjoerd.
-Annemiek van Dijke (klinisch neuropsycholoog) weet dat mensen met PTSS last hebben van herbelevingen en nachtmerries. Maar hoe zit het met de neuropsychologie als aandacht en concentratie, en welke neurale netwerken zijn (over)actief? Zijn er neuropsychologische voorspellers van succes van behandeling? Zijn er neuropsychologische veranderingen na de behandeling? Dit wordt besproken aan de hand van enkele cases.
-Remy Vlek (socioloog) bespreekt enkele fragmenten uit zijn film ” Vietnam de Herinnering”. In deze film wordt het dilemma getoond van de collectieve herinnering van het heldhaftige volk dat de Amerikanen versloeg, versus het (taboe op het) individuele leed van soldaten en oorlogsslachtoffers (circa 1 miljoen doden). Veel Vietnamezen hielden oorlogsdagboeken bij waarin dit dilemma aangrijpend beschreven wordt.
-Saskia van Es vertelt over de Stolpersteine van Demnig . Stolpersteine zijn een nieuwe manier van herdenken van de slachtoffers van het nationaalsocialisme: onopvallend, persoonlijk en plaatsgebonden. Het Stolpersteine project heeft zich ontwikkeld tot het grootste decentrale monument ter wereld en valt onder de bredere kunststroming conceptual art.
Voordracht Liesbeth.
We hebben 4 sprekers, Annemiek, Remy, Saskia en ik, en ik ga de spits afbijten met vier verhalen uit mijn eigen praktijk.
Ik ben klinisch psycholoog en psychoanalytica en ben 50 jaar zelfstandig gevestigd.
Ik heb mij gericht op de behandeling van eerste en tweede generatie oorlog gerelateerde psychische problematiek veroorzaakt door de Tweede Wereldoorlog.
Deze lezing gaat over Uitgestelde PTSS bij eerste generatie, en Parentificatie bij tweede generatie oorlog gerelateerde psychische problemen.
Wat de Tweede Wereldoorlog heeft aangericht in het leven van miljoenen mensen is bijna niet te bevatten.
Daar kunnen wij in onze psychotherapie praktijken over mee praten.
Mijn bijdrage aan deze Divan gaat over erkennen van oorlogsleed in de spreekkamer van de psychotherapeut.
Erkennen moet je kunnen, moet je durven.
Het is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt.
De getraumatiseerde mens, maar ook de getraumatiseerde maatschappij in zijn geheel, hebben de neiging al die verschrikkelijk gebeurtenissen te verdringen. Maar van onze patiënten weten we, erkennen leidt naar bevrijding van hun zware psychische belasting.
Ik krijg wel eens vragen, zo van, wat gebeurt er nou eigenlijk in zo’n oorlogspraktijk, waar hebben de mensen het over, of, hoe komen die trauma’s zo maar ineens terug, of, waarom doen die tweede generatie kinderen dat toch, die vreselijke trauma’s van hun ouders overnemen, wat heeft dat voor nut?
En, helpt psychotherapie voor deze vreselijke dingen.
Daar geef ik meteen een antwoord op, ja psychotherapie helpt.
En dat ga ik straks aantonen als ik over Job en Betty, Laura en Sjoerd ga vertellen.
Overigens, deze mensen zijn voor niemand herkenbaar, ik heb ze door en door geanonimiseerd, u kunt ontspannen luisteren.
Dus die vragen die mensen wel eens aan mij stelden waren helemaal niet raar, want die hebben de collegae met wie ik toen samenwerkte, ook gesteld.
Zeker, toen wij merkten, dat, 30 jaar na de bevrijding, onze psychotherapie praktijken verrast werden door een enorme toename in de verwijzingen van eerste generatie oorlog getroffenen met de DSM diagnose Uitgestelde PTSS .
Dus getraumatiseerde mensen, aan wie je jarenlang niets had gemerkt, zoals bij Job en Betty het geval was.
Zij kregen zomaar ineens angstaanvallen en herbelevingen van wat zij zelf in de oorlog hadden meegemaakt.
Vaak wordt de Uitgestelde PTSS uitgelokt door een onverwachte gebeurtenis uit het heden, die hen tot hun eigen schrik en die van hun omgeving weer terugbrengt naar het verdrongen trauma van toen.
Zij kunnen volledig instorten en opníeuw de traumatische herinneringen verdringen blijkt onmogelijk.
De afweermechanismen van Job en Betty waren daartoe niet meer in staat, Job en Betty leken sterk, maar de gevolgen van hun trauma’s hadden als silent killers door gewerkt.
En tegen de 90ger jaren kwam er een golf van ”nieuwe” cliënten in onze praktijken, de zgn. tweede generatie, de na de oorlog geboren kinderen van oorlogsslachtoffers. Hun problematiek werd samengevat onder het begrip Parentificatie.
Parentificatie is een onbewust proces tussen de getraumatiseerde ouder en het naoorlogse kind. Het kind voelt de kwetsbaarheid van de getraumatiseerde ouder aan, waardoor deze kinderen geneigd zijn de ouderrol over de getraumatiseerde ouder op zich te nemen in plaats van zelf gewoon kind te mogen zijn.
Zij proberen door zorg en troost het trauma van de ouder te verzachten of soms zelfs ongedaan te maken en nemen het trauma van de ouder als het ware over. Geparentificeerde kinderen hebben vaak last van faalangst.
Dat komt omdat de zorgende, troostende taak die zij op zich genomen hebben, vanzelfsprekend te groot is voor een kind.
Onbewust voelen zij dat en worden daar angstig van.
Deze angst verschuift naar faalangst op andere gebieden dan in de relatie met de getraumatiseerde ouder. Bijvoorbeeld naar het werk, zoals bij Laura, of naar de angst voor intimiteit en het afweren van de eigen gekwetstheid zoals bij Sjoerd.
Bovendien is de kans groot dat hun identiteitsontwikkeling in de knel komt te zitten.
Over Laura en Sjoerd zal ik straks nog meer vertellen.
De vier verhalen uit mijn praktijk gaan over Job en Betty, Laura en Sjoerd.
Ik ga jullie iets vertellen over wat zij hebben meegemaakt, direct of indirect door de oorlog.
En hoe zij proberen daar mee te leven.
En ik zal ook af en toe iets vertellen over belangrijke momenten in hun behandeling waardoor hun lijden verminderde.
Dat is niet makkelijk in een halfuurtje, ik heb nu voor elk zeven minuten, terwijl zij alle vier jarenlang in mijn praktijk geweest zijn,
Job en Betty eerste generatie met Uitgestelde PTSS en Laura en Sjoerd, tweede generatie, geparentificeerde kinderen.
Bij Job en Betty heb ik om het trauma heen gewerkt omdat ik bekend was met het risico van te hoge fysieke belasting als de focus op de herbelevingen zou liggen.
Bij Laura en Sjoerd was het de bedoeling dat zij zichzelf niet bléven traumatiseren door zich veel te sterk te verbinden met veel te veel aspecten van het trauma van hun ouders.
Hun associaties temperen en laten wegebben, dat werkt heel goed in het losmakingsproces.
Geleidelijk aan laten voelen dat zij van zichzelf mogen zijn.
De vier verhalen gaan over het opheffen van gevoelsblokkades, het opvullen van herinneringshiaten, het loslaten van schadelijke zelfovertuigingen en het durven tonen van kwetsbaarheid.
Job en Betty gingen in de loop van hun behandeling merken, dat zij hun leed van toen langzamerhand durfden te erkennen, dat zorgde voor innerlijke rust.
Laura en Sjoerd raakten geleidelijk vertrouwd met het praten over wat erin henzelf omging, zij durfden de ouders hun dominante rol te laten verliezen en voelden zich meer en meer bevrijd.
Job’s verhaal, wat heeft hij meegemaakt?
Toen hij 50 jaar was, 30 jaar na de bevrijding, kreeg hij zware griep, waarvan hij moeilijk herstelde.
Hij vermagerde sterk en zakte door zijn benen, hij kreeg plotseling PTSS verschijnselen.
Hij was zo verward dat hij een weekend in het crisiscentrum werd opgenomen.
Hij werd altijd ervaren als een evenwichtig persoon, maar daar was ineens niets meer van over.
Hij werd overmeesterd door angst en onrust.
Hij werd heel bang van zijn lichamelijke zwakte die hij tijdens zijn griep ervaarde, hij had herbelevingen van de deportatie en zijn verblijf in het concentratiekamp toen hij 15 jaar was en zag de mensen van destijds weer voor zich. Toen hij zich bij mij op zijn gemak ging voelen, vertelde hij over de schaamte die hij voelde, de schaamte over de status van slachtoffer die de nazi’s hem gegeven hadden, daar had hij nog steeds enorme last van.
Daarover wilde hij liever met mij praten dan over zijn herbelevingen.
Hij zei tegen mij: ach Liesbeth, nare dingen maken we allemaal mee, maar het gevoel over mezelf dat ik eraan overgehouden heb, dat is het allerergste.
En ik dacht meteen: zijn schaamte over zichzelf verminderen zou inderdaad wel eens de belangrijkste doelstelling van de therapie kunnen zijn.
Na in het crisiscentrum tot betrekkelijke rust gekomen te zijn, werd hij naar mij verwezen.
Hij kwam maandenlang 3xper week bij mij en hij knapte zienderogen op.
Hij gaf voorbeelden uit het dagelijks leven van zijn slachtofferschaamte, ik attendeerde hem op zijn leedontkenning als hij bagatelliserend over zijn verblijf in het kamp sprak, allemaal volgens het boekje.
Maar wat ik zo apart van hem vond, dat hij op een zeker moment, onaangekondigd, zijn vrouw of een van zijn kinderen meenam.
Hij had daarvoor een goed argument: hij wilde hen van toen af aan goede antwoorden geven als zij vragen stelden over wat hij had meegemaakt, hij had hun vragen altijd vermeden of gebagatelliseerd.
In mijn bijzijn durfde hij het aan om zijn gevoelens te laten blijken.
Hij kwam duidelijk uit zijn isolement en wilde de contacten met de familieleden die de oorlog hadden overleefd, verdiepen.
Zo kwam hij eens met zijn neef aanzetten. Deze neef had de onderduik overleefd, in mijn bijzijn gingen zij samen kibbelen over wat erger was, jarenlang opgesloten te zitten met een paar mensen en niet naar buiten gekund te hebben ( zoals de neef) of gevangen te zitten in een kamp en met een groep leeftijdgenoten instrumenten voor de oorlogsindustrie in elkaar te zetten (zoals Job).
Met zijn neef durfde Job over zijn vermoorde ouders en zusjes te praten.
Zijn neef had na de bevrijding alleen zijn vader nog.
Het hielp om 30 jaar na dato samen hun verdriet te delen. Het is Job goed gegaan, hij is 90 jaar geworden.
Betty kreeg op haar 40ste plotseling PTSS verschijnselen, zoals angstaanvallen en nachtmerries toen haar eerste kind naar de peuterschool ging.
Betty vertoonde toenemende emotionele instabiliteit. Mensen kenden haar als dromerig en inschikkelijk, wel een beetje vlak in het contact, dat laatste voelde ze zelf ook wel, maar dat liet ze gewoon zitten.
Mensen vroegen wel eens naar de onderduik, en hoe het was om weer bij haar eigen ouders terug te komen.
Dan keek zij de ander stomverbaasd aan en zei: “maar dat kan ík toch niet weten?
Zij was toen zij 9 maanden oud was afgestaan aan onderduikouders en vier jaar later herenigd met haar dolgelukkige maar zeer getraumatiseerde ouders.
Zij wist van horen zeggen dat zij wekenlang had gekrijst en toen was bijgedraaid.
Haar leven was verder prima gegaan. Betty vertelt toonloos en kijkt weg als ze iets van vroeger vertelt.
In haar dossier werd vermeld dat zij waarschijnlijk een lichte dissociatieve stoornis heeft.
Betty ’s traumatische separaties vertaalden zich in een onbewuste identificatie met de gevoelens van verlating die haar dochtertje misschien nu ook op de crèche had.
Ze vertelde mij dat ze sinds een paar maanden een raar soort razernij voelde, dat ze de hele wereld wel in elkaar wilde rammen, maar het altijd weer opgaf en dan apathisch werd.
En dat zij enorm schrok van die gevoelens maar er niets mee kon. Ik dacht: gelukkig dat je wat voelt en besloot onmiddellijk mij op haar gevoelsdoorbraak te richten, en haar gevoelsvervlakking leven in te blazen.
De razernij en de apathie van nu, waren een exacte kopie van de gedissocieerde razernij en apathie die zij bij het teruggaan naar haar ouders had gevoeld toen zij 5 jaar was.
En misschien zelfs gerelateerd aan de separatie van haar ouders toen zij 9 maanden was.
Maar dat laatste is hypothetisch.
Haar herbelevingen waren diffuus.
Bij zeer jong getraumatiseerde volwassenen ga je niet focussen op diffuse herbelevingen.
Ik dacht dat een fotoalbum-therapie wel eens goed voor Betty zou kunnen zijn.
Ik had wel eens eerder met foto’s gewerkt bij mensen die nauwelijks herinneringen aan hun kindertijd hadden en daar last van hadden.
Ik vroeg Betty fotoalbums mee te nemen, van vroeger en van nu.
Zo’n fotoalbum therapie begint met het praten over de meest recente foto’s.
Dan ga je geleidelijk aan terug, totdat er geen herinneringen meer zijn aan de situaties op de vroegste foto’s uit haar leven.
Dat deed ik om Betty vertrouwd te maken met het praten over haar gevoelens die de situaties die zij zich nog herinnerde, opriepen.
Daar kreeg zij plezier in.
En dan de foto’s die haar onderduikouders van haar hadden gemaakt, zo lief van ze, voor Betty’s ouders als ze weer terugkwamen, om ze te laten zien dat Betty het fijn bij hen had gehad.
Deze foto’s kende Betty wel, maar ze deden haar niks.
Ze had altijd het gevoel dat die niet over haar gingen, maar over een ander meisje dat zij niet kende.
Betty en ik hebben vele sessies samen op de bank gezeten met het fotoalbum tussen ons in en over haar foto’s gepraat, wat weet je nog, wat komt er in je op, wat voel je erbij, welke mensen waren belangrijk voor je, waar hield je je mee bezig, wat vond je leuk om te doen.
Het in alle rust en veiligheid vrijelijk laten associëren op de foto’s voorzag de gebeurtenissen van gevoelens.
De volwassen Betty en ik hebben samen het kleine meisje ingevuld, bij wijze van spreken haar tot leven gebracht. Herinneringshiaten werden opgeheven.
Haar razernij en haar apathie van toen en nu werden voor haar inzichtelijk gemaakt.
Zij zag dat haar dochtertje het op de crèche naar haar zin had.
Job en Betty werden beiden door de PTSS verrast.
Door de PTSS voelde Job’s lichamelijke aftakeling door de griep hetzelfde als zijn weerloosheid in het kamp en Betty ’s traumatische separaties op zeer jonge leeftijd werden getriggerd toen zij en haar dochtertje hele dagen van elkaar gescheiden werden door iets heel normaals als een peuterklasje.
Ik zei al, voor Uitgestelde PTSS is de late doorbraak kenmerkend, maar dit wordt niet alleen verklaard door een innerlijk gebeuren in de cliënt.
Een andere factor die heeft bijgedragen aan de plotselinge toeloop van Uitgestelde PTSS indicaties verdient onze aandacht.
Besef en erkenning van doorstaan oorlogsleed zowel door jezelf als door anderen, wordt beïnvloed door de staat van het verwerkingsproces waarin de samenleving zich als totaal bevindt.
Er moest eerst sprake zijn van “nationale herrijzig “voordat er in de samenleving ruimte is voor bewustwording van het lot van vele medeburgers tijdens de bezetting om samen met de getroffenen daarover te kunnen rouwen.
Vanaf de zestiger jaren konden we spreken van nationaal herstel .
Vele indirecte bronnen voor persoonlijke verwerking, deden hun intrede in onze maatschappij.
Boeken van Presser en Lou de Jong, praatprogramma’s op radio en tv, documentaires, lesmateriaal op de middelbare scholen.
En laten we de film ”Begrijp je nu waarom ik huil” niet vergeten, de film van Louis van Gasteren uit 1969, waarin Prof. Bastiaans zijn LSD experiment met een ex verzetsstrijder toont.
Prof. Bastiaans had de intentie om het verwerkingsproces van het oorlogstrauma sneller te doen verlopen dan in de toen gebruikelijke psychotherapieën en diende zijn patiënten LSD toe om de geest te bevrijden van onderdrukkende gevoelsblokkades.
Deze methode hielp sommige mensen goed, maar had als nadeel dat de sterke reacties die bij de herbelevingen optraden schadelijke fysieke gevolgen konden hebben. Toch had de film grote maatschappelijke impact op het realiseren van de verschrikkingen die mensen hadden meegemaakt.
De erkenning van de causaliteit tussen ondergaan oorlogsleed en ernstige psychische problematiek was sindsdien breed geaccepteerd.
Bovendien verschafte de WUV, de wet uitkering oorlogsslachtoffers ruime vergoedingen voor langdurende en hoogfrequente psychotherapie voor de 1ste en de 2de generatie oorlogsgetroffenen.
Daardoor kon ik mijn cliënten intensief behandelen en hen lange tijd volgen om te zien of het goed met hen bleef gaan.
Ik heb nog niet over Laura en Sjoerd verteld, beiden geparentificeerde kinderen.
Laura was van jongs af aan een hoog empathisch kind, zoals vele geparentificeerde kinderen met psychische problemen dat zijn.
Zij voelde zich haar leven lang verantwoordelijk voor het geluk van haar moeder.
Haar moeder had last van sombere buien, zij had als kind in een Jappenkamp verbleven.
Laura’s moeder sprak nooit over het kamp, maar Laura’s oma wel.
Zij vertelde over de honger die ze altijd hadden en over het vuil en de modder op hun lichaam.
Laura was enig kind en betrok haar moeder in alles wat haar maar uit de somberheid kon halen.
Moeder ging altijd mee op vakantie en was bij alle partijtjes van Laura’s kinderen.
Maar Laura faalde erin, haar moeder van haar somberheid te genezen, die taak was vanzelfsprekend te groot voor haar, maar dat wilde ze niet voelen.
In plaats daarvan werd Laura zelf somber, en onbewust verschoof zij het falen haar moeder gelukkig te maken naar een forse faalangst op andere gebieden, zoals haar studie, later haar werk en naar het niet onder controle kunnen houden van haar lichaamsgewicht.
Toen Laura in mijn praktijk kwam had zij bijna ontslag genomen vanwege haar angst een belangrijke opdracht niet aan te kunnen, voor die faalangst wilde ze in therapie. Zijdelings gaf ze aan dat ze wist dat ze Tweede Generatie was, en dat je daar last van kon hebben, en of ik wist of dat bij haar ook het geval was. Ik vond haar vraag mooi en belangrijk, en zei haar dat.
Het therapiedoel was meteen geformuleerd.
In de behandeling van Laura gebeurde iets, dat in ons team al eerder was opgemerkt, nl. dat de leeftijd waarop de ouder getraumatiseerd werd van invloed was op de manier waarop het kind de parentificatie invulde.
Hoe jonger de ouders waren toen zij getraumatiseerd werden, hoe moeilijker het kind zich aan de parentificatie kan onttrekken.
Een mooi moment in haar therapie was het besef wíe zij eigenlijk altijd probeerde te troosten, dat was niet haar volwassen moeder maar het broodmagere, hongerige, vervuilde kleutertje in het Jappenkamp.
In Laura’s innerlijk bevond zich het beeld van het kwetsbare kind dat haar moeder was geweest.
Háar wilde Laura troosten.
Sjoerd kwam in mijn praktijk vanwege een dreigende relatiebreuk.
Zijn vrouw wilde kinderen en hij absoluut niet.
Hij wilde zichzelf niet voortplanten, de familienaam moest uitsterven.
Hij was het kind van collaborateurs die ook na de oorlog hun politieke overtuigingen trouw bleven.
Sjoerd hoorde van kinds af aan nergens bij, zijn ouders werden met de nek aangekeken, en konden zich maatschappelijk nauwelijks overeind houden.
Sjoerd zag dat, hij hielp ze bij alles wat hen niet lukte, maar hij was ook woedend op ze, door hen werd hij ook niet geaccepteerd, hij was ontzettend eenzaam, nam nooit iemand mee naar huis.
Hij wilde zijn ouders respecteren, van ze houden, zoals ieder kind dat wil.
Zijn eenzaamheid nekte hem in zijn eigen ontwikkeling.
Hij schaamde zich voor zijn ouders, hij wilde dat zijn ouders spijt hadden van hun daden, dat zou hem helpen. Uiteindelijk gaf hij de hoop op dat zijn ouders berouw toonden.
Hij brak met hen, maar nam zelf de schaamte die zijn ouders volgens hem hadden moeten voelen voor hun daden, op zich.
Dan spreek je van plaatsvervangende daderschaamte. Toen Sjoerd bij mij kwam waren zijn ouders al overleden. Hij wilde met mij spreken over zijn angsten dat zijn ouders in hem zaten en dat hij zelf ook slechte keuzes kon maken. In zijn verbeelding zag hij zichzelf in het uniform van zijn vader, het werden bijna dwanggedachten.
Hij wilde zijn ouders voor altijd uit zijn geheugen verbannen.
Zijn radeloosheid was enorm, elke keer bij het weggaan zei hij: alleen hun berouw had mij kunnen helpen.
Hij wilde mensen ontmoeten die hetzelfde waren als hij: een kind van foute ouders.
Ik stelde voor dat hij voordat hij begon met therapie bij mij een Lotgenotengroep zou bezoeken van de werkgroep Herkenning, die bijeenkomsten organiseerden voor kinderen van foute ouders.
En ook EMDR voor zijn angsten op zijn ouders te lijken. Sjoerd accepteerde beide voorstellen.
Zij hebben hem goed gedaan.
Hij had in de groep geleerd over zijn ouders te praten, hij voelde zich minder kwetsbaar onder Lotgenoten.
Zij kenden ook het gevoel van de plaatsvervangende daderschaamte, dat heeft hem enorm geholpen.
Uit de groep ontstonden voorzichtige vriendschappen. Door EMDR zijn de beschadigende zelfovertuigingen en de beangstigende visuele beelden sterk verminderd.
En als ze optraden, dan wist hij ermee om te gaan.
Snel daarna kwam hij weer in mijn praktijk.
Ik achtte hem geschikt voor psychoanalyse.
Het indicatieteam onderzocht hem en was het met mij eens, Sjoerd kwam bij mij in psychoanalyse.
De tijd is om, ik hoop dat de verhalen over Job en Betty, Laura en Sjoerd jullie hebben geboeid.
Helpen verwerken is éen van de belangrijkste taken van de psychotherapeut.
We weten inmiddels heel veel van traumatische stressstoornis en parentificatie af en hoe die te behandelen.
Een ding is duidelijk: Leed behoeft erkenning, dan kan het verwerkt worden en dan volgt bevrijding.
Liesbeth Dullaart-Pruyser
Divan op de Kring, 17 april 2025.